Eiseres, geboren in 1954, verzocht om vervroegde AOW-uitkering per 2019, maar de Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees dit af omdat zij volgens de gewijzigde wetgeving pas in 2021 de AOW-leeftijd bereikt. Eiseres stelde dat deze verhoging een onevenredige zware last voor haar betekent en dat zij recht heeft op compensatie of vervroegde uitkering.
De rechtbank oordeelde dat de wetswijziging een wettelijk voorziene inmenging in het eigendomsrecht vormt, met een legitiem algemeen belang: het waarborgen van de betaalbaarheid van het sociale zekerheidsstelsel. De verhoging van de AOW-leeftijd is proportioneel en er is geen schending van het eigendomsrecht, tenzij sprake is van een individuele onevenredige zware last.
De Svb voerde pas in beroep een individueel onderzoek uit naar de inkomenspositie van eiseres tijdens het AOW-gat en concludeerde dat geen sprake was van een schrijnende situatie. De rechtbank vond dit onderzoek deugdelijk, maar stelde vast dat het motiveringsgebrek bestond omdat dit onderzoek te laat plaatsvond.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat de inhoudelijke beslissing juist was. Tevens werd het betaalde griffierecht aan eiseres vergoed.