ECLI:NL:CRVB:2019:519
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- M. Hillen
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-wonen op uitkeringsadres
Appellant ontving sinds 2010 bijstand en gaf een woonadres op waaruit bleek dat hij niet daadwerkelijk woonde. Na een onderzoek, waaronder het opvragen van verbruiksgegevens en een huisbezoek, concludeerde het dagelijks bestuur dat appellant niet op het uitkeringsadres verbleef. Het water was afgesloten, wat een vooronderstelling van niet-wonen rechtvaardigt, en appellant kon dit niet aannemelijk weerleggen.
Het dagelijks bestuur trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug. Appellant stelde dat terugvordering ernstige psychosociale gevolgen zou hebben, maar kon dit niet aannemelijk maken. De rechtbank verklaarde het beroep tegen intrekking deels gegrond, maar handhaafde de overige besluiten. De Raad bevestigt de uitspraken en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
De Raad benadrukt dat bij aanvragen om bijstand de bewijslast bij de aanvrager ligt en dat het niet nakomen van de inlichtingenplicht een grond is voor afwijzing. De constatering dat de woning leeg was en geen koelkast aanwezig was, ondersteunde het oordeel van het dagelijks bestuur. De Raad concludeert dat de intrekking, terugvordering en afwijzing van de aanvraag terecht zijn.
Uitkomst: De Raad bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand en wijst het verzoek om schadevergoeding af.