ECLI:NL:CRVB:2019:567
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering WW-uitkering wegens schending inlichtingenplicht
Appellant ontving een WW-uitkering die door het UWV werd herzien en teruggevorderd omdat hij werkzaamheden vanaf 1 juli 2014 niet had gemeld. Het UWV stelde op basis van onderzoek, waaronder verklaringen van (ex-)werknemers, WhatsApp- en e-mailberichten, dat appellant in de genoemde periode substantieel meer werkte dan hij had opgegeven.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het tweede besluit af. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij alle werkzaamheden had gemeld en dat het UWV de bewijslast niet had voldaan. De Raad oordeelde dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden en dat de schatting van acht gewerkte uren per week zorgvuldig was.
De Raad verwierp het verweer van appellant dat de boete onterecht was en bevestigde de evenredigheid van de boete van € 3.751,27. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; herziening en terugvordering WW-uitkering en boete bevestigd.