ECLI:NL:CRVB:2019:584
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buitenlandbijdrage Zvw voor gepensioneerde verdragsgerechtigde woonachtig in België
Appellant, geboren in 1934 en sinds 1994 woonachtig in België, ontvangt een Nederlands pensioen en is als gepensioneerde aangemerkt als verdragsgerechtigde op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 en Verordening (EG) nr. 883/2004. Hij maakte bezwaar tegen de door het CAK vastgestelde buitenlandbijdragen op zijn pensioen over de jaren 2012 tot en met 2015, welke bezwaren door het CAK ongegrond werden verklaard.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij niet als migrerend werknemer naar België was verhuisd en dat het Unierecht daarom niet van toepassing zou zijn. Ook stelde hij dat de toepasselijkheid van de verordeningen in strijd zou zijn met de verblijfsrichtlijnen, en verzocht hij om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad verwierp deze argumenten en bevestigde de eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat het begrip 'werknemer' in de verordeningen ook gepensioneerden omvat die in een andere lidstaat wonen zonder daar te werken. De Raad oordeelde dat appellant terecht als verdragsgerechtigde is aangemerkt en dat de redelijke termijn niet was overschreden. Het verzoek om schadevergoeding werd daarom afgewezen.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraken en wees het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat appellant terecht als verdragsgerechtigde is aangemerkt en wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.