Appellanten, wonend in België en uitsluitend een AOW-uitkering uit Nederland genietend, voerden bezwaar tegen inhoudingen van de buitenlandbijdrage op hun pensioenen op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) in samenhang met Europese verordeningen. De Centrale Raad van Beroep bevestigde eerdere uitspraken dat appellanten onder de personele werkingssfeer van Verordening (EEG) nr. 1408/71 en Verordening (EG) nr. 883/2004 vallen en dat de Zvw onder de materiële werkingssfeer van deze verordeningen valt.
De Raad verwierp het betoog van appellanten dat zij niet als migrerende werknemers konden worden aangemerkt en dat de Zvw niet als socialezekerheidsprestatie kwalificeert. Ook het subsidiaire standpunt dat Belgische sociale verzekeringswetgeving van toepassing zou zijn, werd afgewezen. De Raad oordeelde dat de zorgkosten voor rekening van Nederland komen volgens de toepasselijke Europese regelgeving.
Daarnaast kende de Raad appellanten een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van meer dan drie maanden in de procedure. Tevens werd het Zorginstituut veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak bevestigt de rechtspositie van appellanten en benadrukt de toepassing van Europese regelgeving op de Zvw.