ECLI:NL:CRVB:2019:629
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Betrokkene ontving sinds 1994 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde na een anonieme melding dat betrokkene vanaf 2009 samenwoonde met een partner (X) en trok de uitkering met terugwerkende kracht in vanaf augustus 2009, met terugvordering van ruim €71.000.
De rechtbank Rotterdam vernietigde dit besluit voor de periode tot april 2011, omdat de Svb onvoldoende bewijs had geleverd dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. De Svb ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en stelde dat X vanaf juli 2009 zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van X niet overtuigend was vastgesteld op het uitkeringsadres vóór april 2011. Verklaringen van betrokkene waren inconsistent en de verklaringen van buren en het waterverbruik boden geen voldoende feitelijke grondslag. De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank dat geen gezamenlijke huishouding bestond in de periode juli 2009 tot april 2011.
Hierdoor was de intrekking en terugvordering van de nabestaandenuitkering onterecht voor die periode. De Raad veroordeelde de Svb tot betaling van de proceskosten van betrokkene en legde griffierecht op. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 12 februari 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Sociale verzekeringsbank wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van de nabestaandenuitkering over de periode tot april 2011 wordt vernietigd.