Uitspraak
18.4541 APPA
.Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was politiek ambtsdrager en ontving een uitkering op grond van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa). Na ontvangst van een voorlopige tenlastelegging waarin werd gesuggereerd dat appellant illegale inkomsten had genoten tijdens de wachtgeldperiode, verzocht het college hem om gedetailleerde financiële informatie te verstrekken.
Appellant weigerde deze informatie te verstrekken met het argument dat hij zichzelf niet hoeft te beschuldigen in een strafzaak. Het college besloot daarop de uitkering op te schorten op grond van artikel 135, tweede lid, van de Appa. Appellant ging in beroep tegen deze opschorting.
De Raad oordeelde dat het college terecht de uitkering opschortte omdat appellant niet voldeed aan zijn verplichtingen uit artikel 134a van de Appa. De Raad verwierp het beroep van appellant en stelde dat de inlichtingenverplichting noodzakelijk is voor de rechtmatigheid van de uitkering en dat het beroep op artikel 6 EVRM Pro niet opgaat. Ook het verjaringstermijnverweer faalde omdat het besluit niet ziet op terugvordering maar op opschorting.
Uitkomst: Het beroep tegen de opschorting van de Appa-uitkering wegens niet-naleving van de inlichtingenverplichting wordt ongegrond verklaard.