ECLI:NL:CRVB:2019:688

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 februari 2019
Publicatiedatum
1 maart 2019
Zaaknummer
17/2324 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake ziekengeld en medisch onderzoek

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van appellante tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) waarbij haar recht op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) per 1 augustus 2016 is beëindigd. Appellante, die eerder als accountmanager werkte, had zich op 10 maart 2016 ziek gemeld na een whiplash door een auto-ongeluk in 2011. Na een medisch onderzoek door een verzekeringsarts werd appellante geschikt geacht voor haar werk, wat leidde tot het besluit van het Uwv. Appellante heeft bezwaar gemaakt, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigde het besluit van het Uwv, waarna appellante in hoger beroep ging.

Tijdens de zitting heeft appellante aangevoerd dat de verzekeringsartsen onvoldoende rekening hebben gehouden met haar klachten en dat er geen objectieve onderbouwing is voor de conclusie dat zij geschikt is voor haar werk. De Raad voor de Rechtspraak heeft de argumenten van appellante overwogen, maar kwam tot de conclusie dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsartsen. De Raad oordeelde dat appellante op de datum in geding terecht hersteld was verklaard en dat zij geen recht meer had op ziekengeld. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, en er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.

Uitspraak

17.2324 ZW

Datum uitspraak: 20 februari 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 februari 2017, 16/8507 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S. Gomez Espinosa, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Gomez Espinosa. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
L. den Hartog.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is werkzaam geweest als accountmanager voor 40 uur per week. Haar
dienstverband is op 1 september 2014 geëindigd. Appellante heeft zich op 10 maart 2016 ziek gemeld met klachten veroorzaakt door een whiplash na een auto-ongeluk op 23 mei 2011. Appellante ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
1.2.
Op 29 juli 2016 heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 1 augustus 2016 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van accountmanager. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 29 juli 2016 vastgesteld dat appellante per 1 augustus 2016 (datum in geding) geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 16 september 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van
13 september 2016 ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de klachten van appellante, waaronder ook de psychische klachten. De verzekeringsartsen hebben goed gemotiveerd waarom appellante geschikt is om haar eigen werk te verrichten. De medische stukken geven geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsartsen. De behandelovereenkomst voor haar psychische klachten is van enkele maanden na de datum in geding en appellante heeft niet onderbouwd dat de klachten ook op de datum in geding aanwezig waren. Dit blijkt ook niet uit het huisartsenjournaal. Dat appellante onder behandeling was bij een fysiotherapeut was al bekend en hier is ook rekening mee gehouden. In dit geval is het aanvaardbaar dat de verzekeringsartsen geen informatie hebben ingewonnen bij de behandelend sector.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar fysiotherapeut in een verklaring van 25 juli 2016 schrijft dat hem uit fysiotherapeutisch onderzoek sinds april 2016 is gebleken dat de whiplash een chronisch karakter heeft gekregen. Dit is niet onderkend door het Uwv. Er is ten onrechte geen informatie opgevraagd door de verzekeringsartsen. Dit maakt het onderzoek onzorgvuldig en onvolledig. In de brief van 21 november 2016, waarin de tussentijdse evaluatie is beschreven, staat dat appellante nog heel veel klachten heeft, dat door stressmomenten haar hele Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen worden verstoord en dat appellante niet belastbaar is. De verzekeringsartsen hadden beperkingen moeten opnemen en uit het proces-verbaal van de rechtbank blijkt dat ook de rechter het vreemd vindt dat dat niet is gebeurd.
Het lichamelijk en psychisch onderzoek door de verzekeringsartsen is te kort en te oppervlakkig geweest om de beperkingen te constateren. Anders dan de verzekeringsartsen zeggen, heeft appellante wel last van psychische klachten. Ze is sinds 17 oktober 2016 onder behandeling bij BGGZ. Appellante verwijst naar de behandelingsovereenkomst die in beroep is overgelegd. Die behandelingsovereenkomst dateert van na de datum in geding, maar appellante had voor de datum in geding al psychische klachten. Appellante heeft een brief van 19 oktober 2017 van de fysiotherapeut overgelegd, die van mening is dat appellante naast haar lichamelijke klachten ook psychische klachten heeft. Herstel wordt niet verwacht. Appellante heeft veel lichamelijke klachten waarvoor beperkingen opgenomen hadden moeten worden. Een terugkeer op de arbeidsmarkt ziet de fysiotherapeut nu en in de nabije toekomst niet zitten. Appellante heeft ook een brief van neuroloog J.P.L. van der Plas van 20 juli 2017 en informatie van GZ psycholoog F.M. Hilhorst van Silver Psychologie van 27 december 2017 in geding gebracht. Hieruit blijkt dat appellante sinds 11 oktober 2016 onder behandeling is bij de psycholoog. Appellante heeft ook een huisartsenjournaal in gebracht. Ter zitting van de Raad heeft appellante, onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:EHCR:2015:1008JUD007721212, Korošec), om een onafhankelijke deskundige verzocht.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
4.2.
De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat de verzekeringsartsen een zorgvuldig medisch onderzoek hebben verricht. De verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en appellante onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de bevindingen van de verzekeringsarts heroverwogen en zich volledig kunnen verenigen met bevindingen van de primaire verzekeringsarts. Niet is gebleken dat in het geval van appellante het onderzoek onzorgvuldig is geweest.
4.3.
Zoals de Raad in zijn uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) heeft overwogen, is de kern van het beginsel van de equality of arms erin gelegen dat slechts als er evenwicht bestaat tussen partijen met betrekking tot de mogelijkheid om bewijsmateriaal aan te dragen, de bestuursrechter in staat is een onafhankelijk en onpartijdig oordeel te geven. Als de betrokkene (medische) stukken in het geding brengt, moet de bestuursrechter beoordelen of deze stukken een redelijke mogelijkheid vormen voor betrokkene om de bestuursrechter van zijn standpunt te overtuigen. Met het overleggen van medische stukken van de behandelend sector heeft appellante zowel in de bezwaarfase als in de procedures bij de rechtbank en in hoger beroep gebruik gemaakt van de mogelijkheid om nadere stukken in te dienen. Er is geen reden om aan te nemen dat appellante belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. Voor het aannemen van het ontbreken van equality of arms bestaat daarom geen aanleiding.
4.4.
Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat zij op de datum in geding niet in staat was de maatgevende arbeid te verrichten onderbouwd met een aantal medische stukken. Deze stukken zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bestudeerd en hebben geen aanleiding gevormd voor een ander oordeel. Dat appellante klachten ondervindt wordt niet bestreden. De Raad is echter, met de rechtbank en het Uwv, van mening dat er geen objectivering van de klachten is te vinden in de medische stukken. Hieruit volgt dat appellante per 1 augustus 2016 terecht hersteld is verklaard en dat zij per die datum geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de ZW.
5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2019.
(getekend) R.E. Bakker
(getekend) G.D. Alting Siberg
md