Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:719

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 februari 2019
Publicatiedatum
5 maart 2019
Zaaknummer
17/3423 AWBZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.6.6a RsaArt. 8:109 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vernietiging besluit zorgkantoor over persoonsgebonden budget bij hogere zorgzwaarte

Betrokkene, met ernstig niet aangeboren hersenletsel, had voor 2014 een zorgzwaartepakket ZZP 4LG en ontving een pgb inclusief budgetgarantie. Na wijziging naar ZZP 6LG in december 2014 verleende het zorgkantoor een pgb dat gelijk bleef aan het bedrag voor de lichtere zorg, waardoor de zwaardere zorg ten koste ging van de budgetgarantie.

De rechtbank vernietigde dit besluit en kende een hoger pgb toe, stellende dat artikel 2.6.6a van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) niet voorziet in een verlaging van de budgetgarantie bij een hogere indicatie. Het zorgkantoor ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

De Raad oordeelt dat het zorgkantoor de budgetgarantie niet mag verlagen bij een hogere zorgzwaarte, omdat dit indruist tegen de ratio van het artikel en de rechtszekerheid schaadt. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Daarnaast wordt het zorgkantoor veroordeeld in de proceskosten van betrokkene en wordt griffierecht geheven.

Uitkomst: Het hoger beroep van het zorgkantoor wordt verworpen en de vernietiging van het besluit bevestigd.

Uitspraak

17.3423 AWBZ

Datum uitspraak: 27 februari 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
30 maart 2017, 15/906 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
VGZ Zorgkantoor B.V. (zorgkantoor)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
Het zorgkantoor heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. J.G.J. Spiekker een verweerschrift ingediend.
Het zorgkantoor heeft nadere stukken toegezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2018. Het zorgkantoor is niet verschenen. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Spiekker en [naam bewindvoerder], bewindvoerder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Betrokkene, geboren in 1978, heeft ernstig niet aangeboren hersenletsel als gevolg van een verkeersongeval. Voor het jaar 2014 beschikte betrokkene over een op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) toegekend zorgzwaartepakket (ZZP) 4LG (wonen met begeleiding en verzorging). Voor 2014 heeft het zorgkantoor bij besluit van 17 juni 2014 aan betrokkene een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 68.839,80 bruto. Hierin is een budgetgarantie opgenomen van € 18.824,80.
1.2.
Met ingang van 3 december 2014 heeft betrokkene de beschikking gekregen over een ZZP 6LG (wonen met intensieve begeleiding en intensieve verzorging). Naar aanleiding hiervan heeft het zorgkantoor aan betrokkene bij besluit van 5 december 2014 voor het jaar 2014 een pgb verleend van € 68.839,80 bruto, inclusief een budgetgarantie van € 17.613,-. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij besluit van 8 januari 2015 (bestreden besluit) heeft het zorgkantoor het bezwaar ongegrond verklaard. Na toekenning van de budgetgarantie moet het bruto pgb in 2014 even hoog zijn als in 2013. De nieuwe indicatie voor ZZP 6LG leidt tot een hoger pgb, waardoor de budgetgarantie voor 2014 wordt verlaagd. Het dagbudget over 2014 is daardoor even hoog als het dagbudget op 31 december 2013.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 5 december 2014 herroepen en betrokkene een pgb verleend van € 69.934,57 bruto. Samengevat heeft de rechtbank als volgt overwogen. Artikel 2.6.6a van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voorziet niet in de situatie dat tijdens het subsidiejaar recht is op meer AWBZ-zorg. Aan de toelichting bij de invoering van dat artikel per 1 januari 2013 (Stcrt. 2012, 26638) en de aard van de budgetgarantie ontleent de rechtbank dat is beoogd om bij ongewijzigde zorgbehoefte en onveranderde besteding een even hoog pgb toe te kennen. Dit is volgens de rechtbank niet anders bij recht op meer zorg. Voor de oude functies dient dan hetzelfde bedrag te worden toegekend als voorheen en voor de aanvullende functies het nieuwe bedrag.
3.1.
Het zorgkantoor heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij, samengevat, aangevoerd dat bij een hogere indicatie met een hoger ‘standaard pgb’ het garantiebedrag gelijk blijft aan het bedrag aan pgb dat het voorgaande jaar is toegekend. De budgetgarantie, zijnde het verschil tussen het ‘standaard pgb’ en het garantiebedrag, wordt hierdoor lager dan in het voorgaande jaar. Het garantiebedrag is uitsluitend bedoeld om te waarborgen dat een budgethouder, die aan de voorwaarden van artikel 2.6.6a, eerste lid, van de Rsa voldoet, ten minste hetzelfde bedrag aan pgb tot zijn beschikking heeft als het voorgaande jaar, mits zijn zorgvraag niet vermindert. Uit artikel 2.6.6a van de Rsa volgt niet dat het garantiebedrag hoger kan worden, ook niet als een hogere indicatie wordt afgegeven.
3.2.
Betrokkene heeft zich achter de aangevallen uitspraak geschaard.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 2.6.6a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rsa hoogt het zorgkantoor het bruto persoonsgebonden budget op tot een garantiebedrag ter hoogte van het bruto persoonsgebonden budget dat was verleend voor de subsidieperiode die eindigde op 31 december 2013, indien de verzekerde volgens het indicatiebesluit is aangewezen op verblijf, en het persoonsgebonden budget bij de eerste verlening op basis van een indicatiebesluit waaruit bleek dat de verzekerde was aangewezen op een zorgzwaartepakket, op grond van een beleidsregel van het Zorginstituut of op grond van artikel 2.6.15, zoals dat artikel luidde voor 1 januari 2013, was opgehoogd tot een garantiebedrag.
Op grond van het vijfde lid van dat artikel wordt, indien de aanvraag voor een persoonsgebonden budget is gebaseerd op een ander indicatiebesluit dan de verlening van het persoonsgebonden budget in 2013 en de verzekerde volgens het indicatiebesluit is aangewezen op een zorgzwaartepakket dat leidt tot een lager bruto persoonsgebonden budget dan in 2013 is verleend, een garantiebedrag als bedoeld in het eerste lid verminderd met het verschil tussen de budgetten waartoe die zorgzwaartepakketten leiden.
4.2.
Niet in geschil is dat betrokkene voldoet aan het bepaalde in artikel 2.6.6a, eerste lid, van de Rsa. Aan betrokkene is voor 2013 een bruto pbg verleend van € 68.839,80. Dit bedrag is het garantiebedrag, als bedoeld in artikel 2.6.6a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rsa.
4.3.
In de loop van 2014 is het ZZP van betrokkene gewijzigd van 4LG naar 6LG en is de AWBZ-zorg van betrokkene uitgebreid. ZZP 6LG leidt tot een hoger bruto pgb dan ZZP 4LG, maar het bruto pgb van betrokkene is voor 2014 lager dan het garantiebedrag van € 68.839,80. Omdat het gaat om een hoger bruto pgb wordt niet voldaan aan de toepassingsvoorwaarden voor verlaging van het garantiebedrag op de voet van artikel 2.6.6a, vijfde lid, van de Rsa.
4.4.
De door het zorgkantoor voorgestane berekening van het pgb van betrokkene voor 2014 leidt ertoe dat betrokkene met ingang van 1 december 2014 de zorg die hoort bij ZZP 6LG moet inkopen met hetzelfde bedrag waarvoor zij eerder de zorg kon inkopen die hoorde bij ZZP 4LG. Hierdoor gaat het inkopen van de zwaardere zorg ten koste van het garantiebedrag waarop betrokkene recht had voor het inkopen van de lichtere zorg waarmee betrokkene tot 1 december 2014 toe kon. Met de ratio van artikel 2.6.6a van de Rsa dat bij een niet verminderde zorgzwaarte een even hoog pgb wordt toegekend als in 2013 verdraagt zich niet dat bij een grotere zorgzwaarte het garantiebedrag wordt aangewend ter bekostiging van de zwaardere zorg. Hierdoor komt de rechtszekerheid in gedrang. De rechtbank heeft het bestreden besluit dan ook terecht vernietigd.
4.5.
Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4.6.
Aanleiding bestaat om het zorgkantoor te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
4.7.
Van het zorgkantoor wordt op grond van artikel 8:109, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht griffierecht geheven.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het zorgkantoor in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.024,-;
- bepaalt dat van het zorgkantoor griffierecht van € 501,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner als voorzitter en L.M. Tobé en S.E. Zijlstra als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2019.
(getekend) M.F. Wagner
(getekend) J.R. Trox

IJ