ECLI:NL:CRVB:2019:728
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde WAO-uitkering wegens geen toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant is sinds 2001 arbeidsongeschikt en ontvangt een WAO-uitkering. Na eerdere herbeoordelingen is zijn arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 25 tot 35%. In 2015 verzocht appellant om een nieuwe herbeoordeling, maar het Uwv stelde het percentage ongewijzigd vast. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit vanwege het ontbreken van een arbeidskundig onderzoek vooraf, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat het Uwv dit onderzoek later alsnog verrichtte.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn klachten en dat hij geen verweer kon voeren tegen het arbeidskundig onderzoek. De Raad oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de klachten van appellant reeds waren betrokken bij de beoordeling. De aanvullende medische informatie van de internist bracht geen nieuwe feiten aan het licht.
De Raad bevestigde dat de voorbeeldfuncties passend zijn en dat de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35% correct is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De WAO-uitkering van appellant wordt ongewijzigd vastgesteld op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%.