ECLI:NL:CRVB:2019:737
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.S. van der Kolk
- E. Dijt
- R.B. Kleiss
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellante, voorheen werkzaam als naaister, heeft sinds 2004 diverse WIA-uitkeringen ontvangen vanwege psychische klachten met een arbeidsongeschiktheidsgraad van 80-100%. Na beëindiging van haar WIA-uitkering in 2012 meldde zij in 2015 een verslechtering van haar gezondheid, met toegenomen psychische en lichamelijke klachten. Het UWV stelde vast dat er geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak en weigerde een nieuwe uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij het medische onderzoek van het UWV als zorgvuldig en gemotiveerd beoordeelde. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar lichamelijke klachten, waaronder gonartrose, en psychische klachten zoals chronische depressie en PTSS, objectief waren toegenomen en dat dit tot volledige arbeidsongeschiktheid zou moeten leiden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische beperkingen sinds 2012 niet zijn toegenomen binnen vijf jaar na beëindiging van de uitkering en dat de vermeende lichamelijke klachten niet objectief konden worden vastgesteld. De psychische situatie was volgens de medische stukken onveranderd, ondanks andere diagnoses. Het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige werd afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd dat geen recht bestaat op een WIA-uitkering wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid.