ECLI:NL:CRVB:2019:751
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging omvang maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning volgens CIZ-protocol
Appellante, geboren in 1931 en met diverse aandoeningen, vroeg om een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Het college kende haar een voorziening toe van 1 uur en 45 minuten per week, gericht op het zware huishoudelijke werk en gedeeltelijk het lichte werk.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het besluit van het college ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het onderzoek voldeed aan de wettelijke eisen en dat het college terecht de normtijden van het CIZ-protocol hanteerde.
In hoger beroep stelde appellante dat het onderzoek incompleet was en de verstrekte tijd onvoldoende. De Raad oordeelde dat het onderzoek volledig was uitgevoerd, met voldoende aandacht voor persoonlijke omstandigheden en sociale participatie. De Raad bevestigde dat het college binnen de kaders van het CIZ-protocol bleef en dat de maatwerkvoorziening passend was, mede omdat appellante zelf boodschappen doet en maaltijden bereidt.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.