ECLI:NL:CRVB:2019:752
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning volgens Wmo 2015 en CIZ-protocol
Appellante, geboren in 1923 en met diverse aandoeningen, vroeg op 4 juni 2016 een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning aan op grond van de Wmo 2015. Het college kende haar zorg in natura toe voor 4 uur per week, met gedeeltelijke overname van huishoudelijke taken. Een bezwaar tegen dit besluit werd ongegrond verklaard, waarna appellante in beroep ging.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het onderzoek van het college voldeed aan de eisen van de Wmo 2015 en dat het college terecht was uitgegaan van de normtijden van het CIZ-protocol. In hoger beroep stelde appellante dat het onderzoek incompleet was en de maatwerkvoorziening onvoldoende.
De Raad oordeelde dat het college het bestreden besluit niet handhaafde en bij een nieuw besluit de omvang van de maatwerkvoorziening verhoogde naar 4 uur en 45 minuten per week. Het onderzoek voldeed aan de vereisten, inclusief een beoordeling van het sociale netwerk van appellante. De Raad zag geen reden om af te wijken van de normtijden van het CIZ-protocol en oordeelde dat boodschappen en maaltijdverzorging adequaat waren geborgd via familie.
Het beroep tegen het nieuwe besluit werd ongegrond verklaard. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellante. De uitspraak bevestigt dat het college binnen de wettelijke kaders en jurisprudentie heeft gehandeld bij de vaststelling van de maatwerkvoorziening.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 30 november 2016 wordt gegrond verklaard en dat besluit vernietigd; het beroep tegen het besluit van 22 juni 2018 wordt ongegrond verklaard.