ECLI:NL:CRVB:2019:753
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging omvang maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning volgens CIZ-protocol
Appellante, geboren in 1933 en met diverse aandoeningen, vroeg op 25 april 2017 een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning aan op grond van de Wmo 2015. Het college kende haar per 16 mei 2017 een voorziening toe van 3 uur en 30 minuten per week. Een bezwaar tegen deze omvang werd op 19 oktober 2017 ongegrond verklaard.
De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het onderzoek van het college voldeed aan de wettelijke eisen en dat de normtijden van het CIZ-protocol juist waren toegepast. Appellante stelde in hoger beroep dat het onderzoek incompleet was en de verstrekte ondersteuning onvoldoende.
De Raad oordeelde dat de brief van 22 juni 2018 geen nieuw besluit is en slechts een motiveringswijziging betreft, die niet tot benadeling van appellante leidt. Het onderzoek door het college voldeed aan de vereisten, waarbij rekening was gehouden met persoonlijke omstandigheden en sociale participatie. De Raad zag geen reden af te wijken van het CIZ-protocol en verwierp het beroep dat de omvang van de maatwerkvoorziening te laag zou zijn, mede omdat appellante zelf boodschappen doet met haar dochter en gebruikmaakt van maaltijdvoorzieningen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de omvang van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning wordt bevestigd.