ECLI:NL:CRVB:2019:76
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere vaststelling en terugvordering persoonsgebonden budget door zorgkantoor
Appellante ontving voor de jaren 2013 en 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Het zorgkantoor stelde het pgb voor deze jaren lager vast en vorderde bedragen terug wegens onvoldoende naleving van administratieve verplichtingen en onvolledige verantwoording van de besteding.
De rechtbank Rotterdam verklaarde de beroepen van appellante tegen deze besluiten ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte het zorgkantoor geen aanleiding zag om een groter deel van de verantwoorde zorgkosten te accepteren, onder meer omdat zorgverleners bevestigden dat betalingen waren gedaan en dat de zorg uit het pgb mocht worden bekostigd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante niet voldeed aan de administratieve verplichtingen en dat het zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen. De Raad benadrukte dat de bewijslast bij de verzekerde ligt om aannemelijk te maken dat de gedeclareerde zorg daadwerkelijk is verleend, uit het pgb betaald mag worden en daadwerkelijk is betaald. Gebreken in de administratie van zorgverleners komen voor rekening en risico van appellante.
De Raad vond de belangenafweging van het zorgkantoor niet onredelijk en bevestigde de lagere vaststelling en terugvordering van het pgb. Er was geen sprake van fraude, maar van onvoldoende en onjuiste verantwoording. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de lagere vaststelling en terugvordering van het pgb door het zorgkantoor bevestigd.