ECLI:NL:CRVB:2019:788
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging loongerelateerde WGA-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als medewerker kantine, meldde zich ziek met rugklachten en psychische klachten. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe met 100% arbeidsongeschiktheid vanaf 1 september 2011. Na bezwaar van de ex-werkgever stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid bij herbeoordeling lager vast en beëindigde de uitkering per 23 juli 2013.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke psychiater die concludeerde dat appellant ernstiger psychische beperkingen had dan eerder vastgesteld. Een verzekeringsarts stelde echter dat de beperkingen niet objectief waren aangetoond.
De Raad volgde uiteindelijk de verzekeringsarts Greveling-Fockens, die de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aanscherpte, en oordeelde dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was per 1 september 2011. De Raad bepaalde dat het recht op uitkering niet eerder dan 1 november 2013 eindigt en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het recht op loongerelateerde WGA-uitkering van appellant eindigt niet eerder dan 1 november 2013 en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.