ECLI:NL:CRVB:2015:3096
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.E. Bakker
- E.W. Akkerman
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking loongerelateerde WIA-uitkering wegens onjuiste uitleg artikel 56 lid 2 Wet WIA
Appellante, een voormalig schoonmaakster, meldde zich ziek vanwege zwangerschapsgerelateerde klachten en kreeg een loongerelateerde WIA-uitkering (LGU) toegekend. Het Uwv stelde na bezwaar dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg en trok de LGU met terugwerkende kracht in, met een uitlooptermijn van twee maanden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep stelde appellante dat het Uwv artikel 56 lid 2 Wet Pro WIA onjuist toepaste en dat de intrekking van de LGU niet in overeenstemming was met de wettelijke regeling en de Memorie van Toelichting. De Raad stelde vast dat het Uwv in bezwaar terugkwam op het medische oordeel, maar dat dit geen zwaardere motivering vereiste dan deugdelijke motivering volgens de Awb.
De Raad oordeelde dat het standpunt van het Uwv niet strookt met artikel 56 lid 2 Wet Pro WIA, waarin is bepaald dat de LGU niet eerder mag eindigen dan de vastgestelde einddatum, ook als de arbeidsongeschiktheid onder 35% komt. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en het besluit van 25 mei 2011 voor zover de LGU werd ingetrokken.
Verder wees de Raad het verzoek om wettelijke rente af, maar kende appellante een vergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. Ook werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de loongerelateerde WIA-uitkering wordt vernietigd en de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.