ECLI:NL:CRVB:2019:802
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing over dagloon en geen nieuw recht op WW-uitkering per 1 september 2016
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen besluiten van het UWV over de vaststelling van het dagloon en het al dan niet ontstaan van een nieuw recht op WW-uitkering per 1 september 2016. Het UWV had het dagloon berekend op basis van de geldende Dagloonbesluiten, waarbij loon in bepaalde maanden werd meegenomen volgens de polisadministratie, ondanks dat appellant stelde in die maanden niet te hebben gewerkt.
De rechtbank had het beroep deels gegrond verklaard en deels ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het UWV terecht de loonopgaven van de werkgever als uitgangspunt nam voor de dagloonberekening. Ook werd geoordeeld dat geen nieuw recht op WW-uitkering was ontstaan omdat niet aan de vereiste wachttijd van 26 weken was voldaan en het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagde.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Raad benadrukte dat het Dagloonbesluit geen ruimte biedt voor afwijking bij onevenredige uitwerking en dat het UWV terecht het dagloon had vastgesteld en het nieuwe recht op WW-uitkering had geweigerd. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de bestreden uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het dagloon correct is vastgesteld en dat er geen nieuw recht op WW-uitkering is ontstaan per 1 september 2016.