ECLI:NL:CRVB:2019:806
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering IVA-uitkering op grond van Dagloonbesluit bij loonontvangst in referteperiode
Appellant werkte vanaf 9 september 2013 als chauffeur bij een bedrijf en viel na een bedrijfsongeval uit op 20 december 2013. Na beëindiging van het dienstverband vroeg hij een WIA-uitkering aan. Het UWV kende aanvankelijk een loongerelateerde WGA-uitkering toe, maar verklaarde bezwaar gegrond en stelde een IVA-uitkering vast op basis van een dagloon van €56,96.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV de referteperiode en de toepassing van artikel 18 van Pro het Dagloonbesluit correct had vastgesteld. Appellant viel niet onder de regeling voor starters en herintreders omdat hij in het eerste volledige aangiftetijdvak van de referteperiode loon ontving, waaronder een WW-uitkering die als loon wordt aangemerkt.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV het dagloon onjuist had berekend en dat de WW-uitkering niet in aanmerking mocht worden genomen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat de WW-uitkering meetelt als loon, waardoor appellant niet aan de voorwaarden van artikel 18 voldoet Pro. Het verzoek om vergoeding van wettelijke rente werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de IVA-uitkering wordt bevestigd.