ECLI:NL:CRVB:2017:4363
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dagloon en proceskostenveroordeling in WIA-uitkeringszaak
Appellant ontving achtereenvolgens een WW-uitkering, een WWB-uitkering en was daarna in dienst bij een stichting. Na uitval vroeg hij een WIA-uitkering aan. Het UWV wees deze aanvankelijk af, maar wijzigde later het besluit en kende een IVA-uitkering toe met een dagloon van €21,89.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant niet als herintreder kon worden aangemerkt omdat hij in het refertejaar een WW-uitkering ontving, wat als loon wordt beschouwd. Ook het subsidiaire verweer over een te laag dagloon werd verworpen. Appellant ging in hoger beroep en handhaafde zijn standpunt dat het dagloon onredelijk laag is door de strikte toepassing van de regelgeving.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant terecht niet als herintreder of starter werd aangemerkt en dat het dagloon correct is berekend volgens het Dagloonbesluit 2013. Wel vernietigde de Raad het vonnis voor zover de rechtbank geen proceskostenveroordeling uitsprak, omdat het UWV het bezwaar tijdens de procedure wijzigde. De Raad veroordeelde het UWV alsnog in de proceskosten van appellant, begroot op €1.980, en vergoedde het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Appellant is terecht niet als herintreder of starter aangemerkt; het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.