ECLI:NL:CRVB:2019:873
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij geschil over intrekking WAO-uitkering
Verzoeker, die sinds 2000 een WAO-uitkering ontving, verzocht het UWV om terug te komen op eerdere besluiten waarbij zijn uitkering werd ingetrokken en niet werd uitbetaald. Dit verzoek werd door het UWV afgewezen en de rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker ongegrond.
Verzoeker stelde dat hij in een acute financiële noodsituatie verkeert vanwege het intrekken van zijn uitkering en verzocht om een voorlopige voorziening in de vorm van een voorschot op de uitkering. De voorzieningenrechter beoordeelde of sprake was van onverwijlde spoed, waarbij het financiële spoedeisend belang centraal stond.
Verzoeker slaagde er niet in voldoende bewijs te leveren van zijn financiële noodsituatie. Hij had geen bewijsstukken overlegd van een bijstandsaanvraag of gesprekken met de gemeente. Bovendien beschikte hij over vermogen, waaronder oldtimers, en zijn partner had een inkomen. Er was geen sprake van problematische schulden of invorderingsmaatregelen door de bank.
De voorzieningenrechter concludeerde dat de behandeling van de bodemprocedure kan worden afgewacht en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van financieel spoedeisend belang.