ECLI:NL:CRVB:2019:875
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit huishoudelijke ondersteuning wegens afwijking CIZ-protocol
Appellant, geboren in 1938 en met diverse aandoeningen, vroeg een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning aan op grond van de Wmo 2015. Het college kende een voorziening toe van 3 uur en 45 minuten per week, inclusief gedeeltelijke overname van boodschappen doen. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat het onderzoek van het college incompleet was en dat de maatwerkvoorziening onvoldoende was. Het college verdedigde het besluit en verwees naar het CIZ-protocol als norm voor de benodigde tijdsbesteding. De Raad constateerde dat het college aanvankelijk per abuis was afgeweken van het CIZ-protocol en dat het college dit bij een nieuw besluit had gecorrigeerd door de omvang van de maatwerkvoorziening te verhogen naar 4 uur en 15 minuten per week.
De Raad oordeelde dat het onderzoek van het college voldeed aan de wettelijke eisen, dat er voldoende rekening was gehouden met persoonlijke omstandigheden van appellant en dat de boodschappen en maaltijdverzorging adequaat waren geborgd. Het beroep tegen het oorspronkelijke besluit werd gegrond verklaard en vernietigd, maar het beroep tegen het herziene besluit werd ongegrond verklaard. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het oorspronkelijke besluit wordt vernietigd wegens afwijking van het CIZ-protocol, het herziene besluit wordt gehandhaafd en het college wordt veroordeeld in de proceskosten.