ECLI:NL:CRVB:2019:893
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek herziening intrekkings- en terugvorderingsbesluit bijstand
Appellante ontvangt sinds 2012 bijstand en kreeg in 2014 een intrekkings- en terugvorderingsbesluit opgelegd wegens vermeende schending van de inlichtingenplicht en niet-wonen in Rotterdam. Daarnaast werd een boete opgelegd, die later door de rechtbank werd vernietigd vanwege het ontbreken van de cautie voorafgaand aan een gesprek.
Appellante verzocht hierna om herziening van het intrekkings- en terugvorderingsbesluit, verwijzend naar de vernietiging van de boete. Het college wees dit verzoek af omdat de uitspraak van de rechtbank geen nieuw feit of gewijzigde omstandigheid vormde volgens artikel 4:6 Awb Pro. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit afwijzingsbesluit ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de vernietiging van de boete wel degelijk aanleiding gaf tot herziening en dat het besluit evident onredelijk was, mede door fouten van haar gemachtigde. De Raad oordeelde dat deze gronden onvoldoende zijn en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de uitspraak geen nieuw feit is. Fouten van de gemachtigde worden toegerekend aan appellante. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om herziening van het intrekkings- en terugvorderingsbesluit wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.