ECLI:NL:CRVB:2019:917
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen bijzondere omstandigheden voor bijstandsverlening met terugwerkende kracht
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep behandeld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland over de toekenning van bijstand met terugwerkende kracht. Appellante stelde dat zij op 14 juni 2016 een aanvraagformulier had ingevuld en ondertekend, maar dat dit formulier mogelijk verloren was gegaan door een communicatiestoornis.
De Raad oordeelde dat volgens vaste rechtspraak bijstand in beginsel niet wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld of een aanvraag heeft ingediend, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Appellante moest aannemelijk maken dat zij eerder een aanvraag had ingediend of actie had ondernomen die tot een aanvraag had moeten leiden.
Appellante kon dit niet aannemelijk maken, omdat het aanvraagformulier ontbrak en zij geen bewijs of getuigenverklaringen overlegde. Ook was er geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van de consulent over het gesprek op 14 juni 2016. Het feit dat appellante informatie had ingewonnen tijdens dat gesprek, betekent niet dat zij een aanvraag had gedaan. De Raad concludeerde dat het college terecht pas vanaf 1 augustus 2016 bijstand heeft verleend.
Uitkomst: Het college heeft terecht pas vanaf 1 augustus 2016 bijstand verleend; geen bijzondere omstandigheden voor terugwerkende kracht.