ECLI:NL:CRVB:2019:939
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens hervatting ziektewetuitkering
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet samen met haar partner in de periode van 21 april 2015 tot en met 31 augustus 2015. Het college beëindigde de bijstand omdat de partner vanaf 21 april 2015 een Ziektewetuitkering ontving, die met terugwerkende kracht was hervat na bezwaar bij het UWV. Het college vorderde de bijstand terug over deze periode.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de Ziektewetuitkering als voorliggende voorziening geldt, waardoor geen recht op bijstand bestond. Appellante had weliswaar tijdig gemeld, maar was niet op de hoogte dat de bijstand niet was stopgezet. Ook het beroep op dringende redenen om terugvordering te voorkomen faalde wegens onvoldoende onderbouwing.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, waaronder dat zij de inlichtingenplicht niet had geschonden en dat het college geen redelijke belangenafweging had gemaakt. De Raad stelde echter vast dat de rechtbank gemotiveerd op deze gronden was ingegaan en dat appellante geen nieuwe feiten of argumenten had aangevoerd. De Raad bevestigde dat het op appellante rustte om de financiële consequenties te onderbouwen en dat het college de terugvordering terecht had gehandhaafd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand wegens hervatting van de Ziektewetuitkering.