ECLI:NL:CRVB:2019:940
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling korting salaris wegens arbeidsongeschiktheid zonder buitensporige werkomstandigheden
Appellante, sinds 2014 werkzaam bij de gemeente Lopik, meldde zich in maart 2017 ziek wegens spanningsklachten. Het college paste een salarisreductie van 10% toe na zes maanden arbeidsongeschiktheid, gebaseerd op de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO).
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante tegen deze korting ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde. De Centrale Raad van Beroep beoordeelde of sprake was van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, hetgeen recht zou geven op volledige salarisbetaling.
De Raad stelde vast dat de arbeidsongeschiktheid psychisch van aard was en dat appellante pest- en intimiderend gedrag van collega’s en haar leidinggevende aanvoerde als oorzaak. De Raad oordeelde dat de feiten weliswaar spanningen binnen het team weerspiegelen, maar dat deze niet objectief als buitensporig konden worden gekwalificeerd. De subjectieve beleving van appellante volstaat niet om de korting onterecht te verklaren.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de werkomstandigheden niet uitzonderlijk waren en dat ook de beoordeling van de leidinggevende geen aanwijzing gaf voor buitensporige omstandigheden. De vastgestelde burn-out en spanningen in contacten met het college bevestigen dit niet.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de korting op het salaris terecht is toegepast omdat geen sprake was van buitensporige werkomstandigheden.