ECLI:NL:CRVB:2019:943
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor trapondersteuning wegens Wmo als voorliggende voorziening
Appellant ontving op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een vergoeding voor een driewielfiets. Later vroeg hij trapondersteuning op deze fiets aan bij het college, maar deze werd afgewezen omdat de kosten binnen het eerder toegekende budget voor de fiets moesten worden voldaan. Vervolgens vroeg appellant bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) voor de trapondersteuning, maar ook deze aanvraag werd afgewezen omdat de Wmo als voorliggende voorziening geldt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de Wmo-voorziening niet passend en toereikend is omdat hij de fiets ook therapeutisch gebruikt om in beweging te blijven. Deze stelling werd niet met medische stukken onderbouwd. Ook het beroep op zeer dringende redenen werd verworpen omdat appellant geen acute noodsituatie aannemelijk maakte.
De Raad concludeert dat de Wmo terecht als voorliggende voorziening is aangemerkt en bevestigt de eerdere uitspraak. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen omdat de Wmo als passende en toereikende voorliggende voorziening geldt en er geen zeer dringende redenen zijn.