Uitspraak
18.2784 AW
4 april 2018, 17/3847 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam bij het ministerie en kreeg in het kader van een reorganisatie de status van verplichte Van Werk Naar Werk (VWNW)-kandidaat nadat haar functie werd opgeheven. Zij sloot een arbeidsovereenkomst met een externe werkgever en diende ontslag in per 1 juli 2015, onder voorbehoud van honorering van haar VWNW-voorzieningen. De minister stelde de VWNW-vergoeding vast conform artikel 49gg, zesde lid, ARAR, met een maximale bandbreedte van twee salarisschalen.
Appellante maakte bezwaar tegen de vastgestelde voorzieningen en de ontslagprocedure, onder meer vanwege een hogere indicatieve berekening van het Kenniscentrum Financiële Rechtspositie (KFR). De minister verklaarde het bezwaar tegen het ontslag niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat appellante geen intentie had haar dienstverband te hervatten. Ook het bezwaar tegen de salarisspecificatie werd ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de minister de VWNW-vergoeding correct had vastgesteld en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagde. De discretionaire bevoegdheid van de minister bij de pensioenbijdrage werd eveneens bevestigd. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar tegen het ontslag bevestigd.