ECLI:NL:CRVB:2019:951
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling AOW-pensioenrecht na huwelijk en verzekeringsjaren
Appellante, geboren in 1950, heeft een AOW-pensioen aangevraagd dat is afgewezen omdat zij niet in Nederland heeft gewoond of gewerkt en het huwelijk met haar echtgenoot na diens verzekeringsperiode viel.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel. De verklaring van zes getuigen over een eerder huwelijksjaar wordt niet doorslaggevend geacht vanwege twijfel over hun directe kennis en relatie tot appellante.
Appellante bracht geen nieuwe feiten aan die het oordeel konden wijzigen. Haar financiële situatie en onvoldoende inkomen leiden niet tot een ander besluit. Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor AOW-pensioen afgewezen.