ECLI:NL:CRVB:2021:1900
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag AOW-pensioen wegens ontbreken duurzame band met Nederland en huwelijkse tijdvakken
Appellante, geboren in 1936 en voormalig echtgenote van een in Nederland woonachtige man, heeft een AOW-pensioen aangevraagd dat werd afgewezen omdat zij niet verzekerd was voor de AOW en geen aanspraak kon maken op ouderdomspensioen via huwelijkse tijdvakken. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordelend dat zij geen ingezetene van Nederland was en niet de eerste echtgenote was van haar echtgenoot.
In hoger beroep stelde appellante dat zij wel degelijk als ingezetene moet worden beschouwd vanwege haar familiebanden en dat zij huwelijkse tijdvakken vervulde omdat zij in 1953 met haar echtgenoot was gehuwd. De Sociale Verzekeringsbank handhaafde haar standpunt dat appellante geen ingezetene was en geen huwelijkse tijdvakken had vervuld.
De Raad oordeelde dat appellante geen duurzame persoonlijke band met Nederland had, mede omdat zij nooit in Nederland had gewoond of gewerkt en slechts incidenteel op bezoek was geweest. Daarnaast kon niet worden vastgesteld dat zij eerder dan 1957 met haar echtgenoot was gehuwd, waardoor zij niet als eerste echtgenote kwalificeerde voor het toepassen van artikel 21 van Pro het NMV (oud).
Daarom werd het bestreden besluit bevestigd en het beroep van appellante ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag van appellante voor AOW-pensioen is terecht afgewezen wegens ontbreken van duurzame band met Nederland en huwelijkse tijdvakken.