ECLI:NL:CRVB:2019:96
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van eigen bijdrage langdurige zorg ondanks beroep op bijzondere omstandigheden
Appellante ontvangt zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) en is hiervoor een eigen bijdrage verschuldigd. Het CAK heeft de eigen bijdrage vastgesteld op basis van inkomensgegevens uit het peiljaar 2013, ondanks een verzoek tot peiljaarverlegging naar het lopende jaar 2015. Appellante betoogde dat de regeling onbillijk en inconsequent is en dat haar bijzondere situatie, waarbij zij afhankelijk is van een auto voor sociaal vervoer, een afwijking van de regels rechtvaardigt.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad overweegt dat de regels van het Besluit langdurige zorg (Blz) en de Regeling langdurige zorg (Rlz) dwingendrechtelijk en limitatief zijn en dat de rechter de innerlijke waarde of billijkheid van de wet niet mag toetsen. De stelling van appellante dat zij onvoldoende middelen overhoudt voor sociaal vervoer wordt niet ondersteund door de stukken en vormt geen bijzondere omstandigheid die afwijkt van de dwingendrechtelijke bepalingen.
De Raad concludeert dat het beroep niet slaagt en bevestigt het bestreden besluit van het CAK. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 2 januari 2019.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond.