ECLI:NL:CRVB:2019:963
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.C.W. Lange
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- R.B. Kleiss
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling dagloon voor IVA-uitkering ondanks vordering achterstallig loon
Appellant was werkzaam als slager en meldde zich ziek op 19 januari 2015. Na een ontslag op staande voet in juli 2014, dat werd aangevochten, sloten partijen een vaststellingsovereenkomst over loonbetalingen. Appellant vroeg een IVA-uitkering aan, welke het UWV toekende op basis van een dagloon van €66,50.
Appellant maakte bezwaar tegen de vaststelling van het dagloon, stellende dat hij recht had op een hoger loon volgens de cao Levensmiddelenbedrijf, en dat er sprake was van achterstallig loon. De rechtbank oordeelde dat appellant niet had aangetoond dat hij binnen de referteperiode (2014) het hogere loon op niet mis te verstane wijze had gevorderd.
In hoger beroep voerde appellant aan dat een e-mail van september 2014 dit wel aannemelijk maakte. De Raad stelde echter vast dat deze e-mail niet van appellant afkomstig was en geen bewijs leverde dat hij zelf het loon had gevorderd binnen de referteperiode. De brief van maart 2015, waarin dit wel gebeurde, viel buiten de referteperiode. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het dagloon voor de IVA-uitkering blijft ongewijzigd vastgesteld.