ECLI:NL:CRVB:2020:1009
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging aanmerking ambtenaar als re-integratiekandidaat na onvoldoende functioneren
Appellant was sinds 1986 in dienst bij de gemeente Den Haag en werd na een reorganisatie in 2015/2016 geplaatst in een nieuwe functie. Zijn functioneren in deze functie werd beoordeeld als onvoldoende, wat door het college leidde tot zijn aanmerking als re-integratiekandidaat op grond van het Sociaal Beleidskader 2011-2014.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het oordeel over zijn functioneren onterecht was en dat het besluit ingegeven zou zijn door een wens van het college om van hem af te komen, mede vanwege zijn rol als klokkenluider. De Raad oordeelde echter dat de beoordeling van het functioneren in rechte vaststaat en dat er geen aanwijzingen zijn dat het besluit onrechtmatig was of gebaseerd op onjuiste feiten.
De Raad benadrukte dat appellant niet aan de gemaakte ontwikkelafspraken had voldaan en dat het college terecht had besloten hem als re-integratiekandidaat aan te merken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit om appellant als re-integratiekandidaat aan te merken wordt bevestigd.