ECLI:NL:CRVB:2020:1016
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid ondanks zwangerschap en andere ziekteoorzaak
Appellante was sinds 17 februari 2014 volledig arbeidsongeschikt vanwege psychische klachten en bleef dit tot haar ontslag op 1 september 2017. Tijdens deze periode was zij ook gedeeltelijk arbeidsongeschikt door zwangerschap van 1 april 2015 tot 9 juni 2015. Het college verleende haar eervol ontslag wegens ongeschiktheid na een periode van 36 maanden, waarbij de zwangerschap gerelateerde ziekteperiode werd meegerekend.
De Raad oordeelt dat artikel 90bis van het AR geen uitsluitsel geeft over het meerekenen van ziekteperiodes door zwangerschap wanneer er ook een andere ziekteoorzaak is. Gezien de gelijke behandeling en de volledige arbeidsongeschiktheid uit een andere oorzaak, is het redelijk de zwangerschapsperiode mee te rekenen. Dit wordt ondersteund door de toelichting op het gelijkluidende artikel in de CAR-UWO.
Verder mocht het college vertrouwen op de adviezen van de bedrijfsarts die consistent en inzichtelijk waren en stelde dat re-integratie niet verantwoord was. Ondanks dat het UWV een urenbeperking van 12 uur per week vaststelde, was het college niet verplicht passende arbeid aan te bieden omdat de bedrijfsarts dit medisch niet verantwoord achtte.
Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het ontslagbesluit wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.