ECLI:NL:CRVB:2020:107
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging medische grondslag en arbeidsgeschiktheid in WAO-uitkering
Appellant, werkzaam als verwarmingsmonteur, viel wegens rugklachten uit en ontving sinds 1998 een WAO-uitkering. Na nieuwe uitval in 2013 en medisch onderzoek in 2015 werd zijn arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35 tot 45%. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat hij meer beperkingen heeft, waaronder dubbelbeelden en sensibele stoornissen.
De rechtbank benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die in 2017 concludeerde dat appellant beperkingen heeft maar niet meer dan vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van juni 2016. De rechtbank vond het deskundigenrapport zorgvuldig en overtuigend en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat een specialist zoals een neuroloog of orthopedisch chirurg had moeten worden benoemd en dat er sprake is van radiculaire prikkeling en onderliggende medische problemen. De Raad oordeelt dat het deskundigenrapport voldoende is, dat appellant geen nieuwe medische gegevens heeft ingebracht die het oordeel ondergraven, en dat er geen aanleiding is voor nader specialistisch onderzoek.
De Raad onderschrijft het oordeel dat appellant geschikt is voor de functies waarop het UWV zijn WAO-uitkering baseert en bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV-besluit tot vaststelling van de WAO-uitkering blijft gehandhaafd.