ECLI:NL:CRVB:2020:1075
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Sociale Verzekeringsbank tot verrekening proceskostenvergoeding met onverschuldigde AOW-uitkering
De zaak betreft een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland over de verrekening van een proceskostenvergoeding door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) met een vordering wegens onverschuldigd betaald AOW-pensioen.
De Svb had het AOW-pensioen van appellant herzien en het te veel ontvangen bedrag teruggevorderd. De proceskostenvergoeding die aan appellant was toegekend, werd door de Svb niet uitbetaald maar verrekend met de openstaande vordering. Appellant betwistte deze verrekening en stelde dat de vergoeding aan zijn gemachtigde betaald had moeten worden vanwege een toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat artikel 24 van Pro de AOW een wettelijke grondslag biedt voor de verrekening van de proceskostenvergoeding met de openstaande vordering. Tevens verwierp de Raad het betoog dat de toevoeging aan de gemachtigde betaling aan appellant in de weg zou staan. De rechtbank had het beroep van appellant terecht ongegrond verklaard en de Raad bevestigt deze uitspraak. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Sociale Verzekeringsbank bevoegd is de proceskostenvergoeding te verrekenen met de openstaande vordering uit onverschuldigd betaald AOW-pensioen.