ECLI:NL:CRVB:2020:1077
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening opschorting aflossingsverplichting BBZ-lening
Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland inzake de aflossingsverplichting van een lening verstrekt op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Zij verzocht tevens om een voorlopige voorziening om de aflossingsverplichting op te schorten totdat de Raad op de bodemprocedure heeft beslist.
De voorzieningenrechter overwoog dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht een voorlopige voorziening slechts kan worden getroffen indien onverwijlde spoed bestaat. Verzoekster stelde dat haar financiële situatie door diverse omstandigheden, waaronder de coronacrisis, zodanig verslechterd was dat zij niet aan de aflossingsverplichting kon voldoen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster onvoldoende concreet had onderbouwd waarom sprake was van een actueel en spoedeisend financieel belang. Ook had zij niet aangetoond dat zij geen gebruik kon maken van andere tijdelijke hulpmaatregelen. Daarom ontbrak het aan onverwijlde spoed en werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter O.L.H.W.I. Korte op 8 mei 2020.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot opschorting van de aflossingsverplichting wordt afgewezen wegens ontbreken van onverwijlde spoed.