ECLI:NL:CRVB:2020:1079
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet melden inkomsten uit pruikenverkoop
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en meldde in juni 2018 dat zij pruiken maakte en een onderneming wilde starten. De gemeente Almere startte daarop een onderzoek, waaronder een huisbezoek en internetonderzoek, waaruit bleek dat appellante sinds juli 2017 pruiken verkocht zonder dit te melden.
Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in vanaf 1 juli 2017 vanwege schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar activiteiten hobbymatig waren en dat zij haar inkomsten had gemeld aan klantmanagers, wat niet werd ondersteund door bewijs.
De Raad oordeelde dat het onderscheid tussen hobby en bedrijfsmatig niet relevant is bij het ontvangen van inkomsten en dat appellante onvoldoende controleerbare gegevens over haar inkomsten had overgelegd. Ook zonder het huisbezoek bleef er voldoende grondslag voor het besluit. Verzoeken om rekening te houden met bijzondere omstandigheden faalden wegens gebrek aan onderbouwing.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet melden van inkomsten uit pruikenverkoop wordt bevestigd.