ECLI:NL:CRVB:2020:1082
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en boete wegens niet gemelde inkomsten uit prostitutiewerk
Appellante ontving sinds 2008 bijstand en werd in 2014 door de sociale recherche gemeld vanwege het adverteren en aanbieden van seksuele diensten zonder vergunning. Uit onderzoek en een verklaring van appellante bleek dat zij inkomsten had uit prostitutiewerk, maar zij hield geen administratie bij.
Het college trok de bijstand in en vorderde kosten terug over de periode juli tot november 2015 wegens schending van de inlichtingenverplichting. Tevens werd een boete opgelegd, gematigd naar draagkracht. Appellante voerde in bezwaar en beroep aan dat zij geen inkomsten had en dat de verklaring onder druk was afgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit over vakantiegeld niet-ontvankelijk en wees de beroepen tegen intrekking en boete af. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel, oordeelt dat de verklaring rechtsgeldig is, dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat het college terecht de bijstand introk en de boete oplegde. Het vakantiegeld is verrekend met de terugvordering.
De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de aangevallen uitspraak. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en oplegging van een boete wegens niet gemelde inkomsten uit prostitutiewerk.