Appellanten verbleven van 11 tot en met 17 oktober 2017 langer dan de wettelijk toegestane periode van vier weken buiten Nederland. Het college van burgemeester en wethouders van Helmond trok daarop de bijstand over die periode in. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat sprake was van overmacht omdat hun terugvlucht op 10 oktober 2017 was geannuleerd en zij pas op 17 oktober konden terugkeren, waardoor zij extra kosten maakten. De Raad overwoog dat volgens vaste rechtspraak en de wetsgeschiedenis de reden van verblijf buiten Nederland niet relevant is voor de toepassing van de uitsluitingsgrond in de Participatiewet.
Appellanten slaagden er niet in aannemelijk te maken dat zij in een acute noodsituatie verkeerden die dringende bijstand rechtvaardigde. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.