ECLI:NL:CRVB:2020:1083

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 mei 2020
Publicatiedatum
12 mei 2020
Zaaknummer
18/6364 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13, eerste lid, aanhef en onder e, ParticipatiewetArt. 16, eerste lid, ParticipatiewetArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bijstand wegens te lang verblijf in het buitenland zonder dringende redenen

Appellanten verbleven van 11 tot en met 17 oktober 2017 langer dan de wettelijk toegestane periode van vier weken buiten Nederland. Het college van burgemeester en wethouders van Helmond trok daarop de bijstand over die periode in. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond.

In hoger beroep voerden appellanten aan dat sprake was van overmacht omdat hun terugvlucht op 10 oktober 2017 was geannuleerd en zij pas op 17 oktober konden terugkeren, waardoor zij extra kosten maakten. De Raad overwoog dat volgens vaste rechtspraak en de wetsgeschiedenis de reden van verblijf buiten Nederland niet relevant is voor de toepassing van de uitsluitingsgrond in de Participatiewet.

Appellanten slaagden er niet in aannemelijk te maken dat zij in een acute noodsituatie verkeerden die dringende bijstand rechtvaardigde. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens te lang verblijf in het buitenland zonder dringende redenen wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

18.6364 PW

Datum uitspraak: 12 mei 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
9 november 2018, 18/926 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] en [appellante] te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Helmond (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. R. Akkaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 20 oktober 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 maart 2018 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellanten over de periode van
11 tot en met 17 oktober 2017 ingetrokken. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten langer dan de wettelijk toegestane periode van vier weken verblijf hebben gehouden buiten Nederland.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellanten hebben, evenals in beroep, kort samengevat aangevoerd dat bij terugkeer sprake was van overmacht en dat daarom dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van Pro de Participatiewet (PW) bestaan. Appellanten wijzen erop dat hun terugvlucht van 10 oktober 2017 is geannuleerd. De eerstvolgende mogelijkheid om terug te keren naar Nederland was volgens appellanten op 17 oktober 2017. Appellanten stellen dat zij hierdoor extra kosten hebben moeten maken.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK3316, rechtsoverweging 4.3) is voor de toepassing van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW de reden van het (langduriger) verblijf buiten Nederland niet van belang. Volgens de wetsgeschiedenis is met artikel 16, eerste lid, van de PW niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden ten aanzien van de toepassing van uitsluitingsgronden (Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr. 3, p. 47). Of sprake was van overmacht, is daarom voor de toepassing van artikel 16, eerste lid, van de PW niet van belang. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij in de periode van 11 oktober 2017 tot en met 17 oktober 2017 in een acute noodsituatie verkeerden in die zin dat de situatie levensbedreigend van aard was dan wel blijvend psychisch of lichamelijk letsel of blijvende invaliditeit tot gevolg kon hebben, en ook niet dat zij in behoeftige omstandigheden verkeerden die alleen met bijstandverlening waren te verhelpen, hebben zij evenmin aannemelijk gemaakt.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding bestaat daarom geen grond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.G. Okhuizen, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2020.
(getekend) E.C.G. Okhuizen
(getekend) J.B. Beerens