ECLI:NL:CRVB:2009:BK3316
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens verblijf langer dan vier weken in het buitenland
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en verbleven van 3 juli tot en met 31 juli 2006 in het buitenland. Zij keerden pas in de tweede helft van augustus terug, waardoor zij langer dan vier weken buiten Nederland verbleven. Het College van burgemeester en wethouders van Eindhoven trok daarom de bijstand met ingang van 2 augustus 2006 in.
Appellanten voerden aan dat het langdurige verblijf het gevolg was van een plotselinge ziekte van appellant, die als enige het gezin kon besturen, en dat dit een zeer dringende reden vormde om de intrekking te herzien. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. Volgens vaste rechtspraak is de reden van het verblijf buiten Nederland niet relevant en rechtvaardigt de gezondheidssituatie geen zeer dringende redenen in de zin van de WWB.
Verder stelde appellant dat de gemeente hem niet had gewezen op de mogelijkheid om direct een nieuwe aanvraag in te dienen, waardoor zij onnodig lang zonder bijstand zaten. Dit valt buiten de reikwijdte van het bestreden besluit. De Raad concludeert dat het College bevoegd was tot intrekking en dat het besluit in redelijkheid is genomen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt bevestigd omdat appellanten langer dan vier weken in het buitenland verbleven zonder zeer dringende redenen.