ECLI:NL:CRVB:2020:1102
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
WGA-uitkering terecht beëindigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 16 mei 2016
In deze zaak stond de vraag centraal of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht had vastgesteld op minder dan 35% per 16 mei 2016, waardoor de WGA-uitkering kon worden beëindigd.
Na een tussenuitspraak heeft het UWV een aanvullend medisch onderzoek laten verrichten door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze arts concludeerde dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 juli 2015 ook op 16 mei 2016 nog van kracht was en dat de psychische klachten, waaronder een matige depressie, geen aanleiding gaven tot het aannemen van meer beperkingen. Appellant overhandigde een brief van de huisarts, maar het UWV stelde dat deze informatie reeds bekend was en meegenomen in de beoordeling.
De Raad oordeelde dat het aanvullende onderzoek volledig en zorgvuldig was en dat er geen reden was om te twijfelen aan de verzekeringsgeneeskundige onderbouwing. Het UWV had het eerdere gebrek in het besluit hersteld. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de eerdere uitspraak, verklaarde het beroep gegrond en bevestigde dat appellant geen recht meer had op een WGA-uitkering per 16 mei 2016. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De WGA-uitkering van appellant is terecht beëindigd per 16 mei 2016 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.