ECLI:NL:CRVB:2020:1116
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-melding vermogen en waarschuwing
Appellant ontving vanaf 2010 bijstand en meldde bij de aanvraag niet dat hij beschikte over €13.000,- die hij uit Iran had meegenomen. Dit bedrag werd pas in 2016 op een spaarrekening gestort. Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde een deel terug, omdat appellant niet aan zijn inlichtingenverplichting had voldaan.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat het vermogen waarover appellant beschikte ook al bestemd was voor een opleiding, toch meetelde als vermogen dat in aanmerking genomen moest worden bij de bijstand. De stelling dat appellant pas in 2016 over het geld beschikte, werd niet onderbouwd en verworpen.
Hoewel het college een boete had kunnen opleggen, volstond het met een waarschuwing. De Raad vond deze sanctie zeer licht, maar gelet op de wettelijke bepalingen was het college niet bevoegd een boete op te leggen. Het hoger beroep werd afgewezen en de intrekking van de bijstand en terugvordering gehandhaafd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering worden bevestigd en de waarschuwing gehandhaafd.