Uitspraak
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving sinds 2009 bijstand op grond van de Participatiewet. Naar aanleiding van een vermoeden van niet opgegeven inkomsten startte de gemeente Breda een onderzoek, waarbij onder meer dossieronderzoek, waarnemingen en getuigenverklaringen werden verzameld.
Het college besloot de bijstand met ingang van 21 september 2016 in te trekken en de kosten terug te vorderen omdat appellant handel dreef in oud ijzer en witgoed zonder dit te melden, wat een schending van de inlichtingenverplichting opleverde. Appellant betwistte dit en stelde dat de werkzaamheden incidenteel en niet op geld waardeerbaar waren.
De Raad oordeelde dat de werkzaamheden van appellant duidelijk op geld waardeerbaar waren en een periodiek karakter hadden, wat blijkt uit verklaringen en waarnemingen. Het college was niet op de hoogte van de omvang van de activiteiten, ondanks eerdere beperkte opgaven van inkomsten.
Omdat appellant geen administratie bijhield en niet aannemelijk maakte dat hij recht had op bijstand, was intrekking en terugvordering terecht. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek tot schadevergoeding werd geweigerd.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en terugvordering wegens niet gemelde handel in oud ijzer en witgoed worden bevestigd.