ECLI:NL:CRVB:2020:1206
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering en ZW-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante, laatstelijk werkzaam als verzorgende, meldde zich ziek in december 2013 en ontving aanvankelijk een Ziektewetuitkering. Na diverse besluiten en bezwaarprocedures over de beëindiging en herbeoordeling van haar ziekengeld, vroeg zij in april 2016 een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het weigeren van de WIA-uitkering gegrond en wees de aanvraag af per 19 december 2015. Het beroep tegen de ZW-uitkering werd ongegrond verklaard. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar medische situatie per 25 februari 2015 verslechterde en dat het UWV onvoldoende rekening hield met haar aandoeningen, waaronder artrose en de ziekte van Crohn. Zij stelde dat het beginsel van equality of arms was geschonden en verzocht om een onafhankelijke deskundige.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, met voldoende betrokkenheid van verzekeringsartsen en medische informatie van behandelaars. Er was geen sprake van ontbrekende medische informatie of belemmering van appellante om haar standpunt te onderbouwen. De inhoudelijke beoordeling van de arbeidsongeschiktheid was overtuigend gemotiveerd en er was geen reden om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
De Raad bevestigde dat appellante per 19 december 2015 geen recht had op een WIA-uitkering en vanaf 11 april 2016 arbeidsgeschikt was voor de geselecteerde functies, waardoor ook de ZW-uitkering terecht werd beëindigd. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding geweigerd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de WIA-uitkering en beëindiging van de ZW-uitkering wordt bevestigd.