Appellant, werkzaam als Rijnvarende op een schip dat behoort tot de Rijnvaart, verzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) om regularisatie van sociale verzekeringspremies over de jaren 2010, 2011 en 2012. De Svb wees dit verzoek af omdat appellant op grond van een brief van de Belastingdienst uit 2009 had moeten begrijpen dat hij verzekerd was onder de Nederlandse socialezekerheidswetgeving en premieafdracht in Nederland moest plaatsvinden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een regularisatieprocedure rechtvaardigden. Tevens werd een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bestuursrechtelijke procedure.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de Svb ten onrechte weigerde mee te werken aan regularisatie nadat de Luxemburgse bevoegde autoriteit hiermee instemde en dat de beleidsregel waarop de Svb zich beroept niet van toepassing was op de ingediende verzoeken. De Raad verwierp deze bezwaren en bevestigde dat de discretionaire bevoegdheid van de Svb om regularisatie te weigeren niet onredelijk was.
De Raad oordeelde verder dat de brief van 1 september 2009 voldoende duidelijk maakte dat appellant verzekerd was in Nederland en dat er geen bijzondere omstandigheden waren om alsnog tot regularisatie over te gaan. Daarnaast werd een schadevergoeding van € 500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en werden proceskosten en griffierecht aan appellant vergoed.