ECLI:NL:CRVB:2019:4229
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling regularisatieverzoek sociale zekerheidswetgeving Rijnvarende over 2007-2012
Appellant, een Rijnvarende die voer op een Luxemburgs schip, verzocht de Sociale Verzekeringsbank (Svb) om vaststelling dat hij in 2007-2012 uitsluitend onder de Luxemburgse sociale zekerheidswetgeving viel en geen Nederlandse premies verschuldigd was. De Svb weigerde regularisatie over 2012 vanwege een brief van de Belastingdienst uit 2012 die stelde dat Nederlandse wetgeving van toepassing was en wegens intrekking van het formulier E101L door Luxemburg.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant deels gegrond voor de periode tot 26 september 2007, maar wees het af voor daarna. De Svb startte geen regularisatieprocedure over 2012, wat appellant aanvocht in hoger beroep. De Raad oordeelt dat op grond van de Rijnvarendenovereenkomst en de correspondentie van de Belastingdienst de Nederlandse wetgeving terecht van toepassing is over 2012. De Svb heeft discretionaire bevoegdheid om regularisatie te weigeren bij ontbreken van bijzondere omstandigheden.
Verder oordeelt de Raad dat de brief van de Svb van 23 april 2018 geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, zodat het bezwaar daartegen niet-ontvankelijk is. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn wordt afgewezen. De Raad veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant en vergoedt het betaalde griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het regularisatieverzoek over 2012 en wijst het verzoek om schadevergoeding af.