ECLI:NL:CRVB:2020:1225
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering regularisatieovereenkomst Luxemburg door Sociale Verzekeringsbank
De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde voor betrokkene een regularisatieovereenkomst met Luxemburg te sluiten voor het jaar 2011 op grond van artikel 16 van Pro Verordening (EG) nr. 883/2004. Betrokkene stelde de Svb met een ingebrekestelling van 28 februari 2017 in gebreke tijdens de bezwaarprocedure.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en oordeelde dat de Svb alsnog moest beoordelen of een dwangsom toegekend moest worden. De Svb trok echter het hoger beroep in, waarna de Centrale Raad van Beroep het beroep ongegrond verklaarde en zich beperkte tot de vraag of de Svb een dwangsom verschuldigd was.
De Raad overwoog dat de ingebrekestelling prematuur was ingediend, omdat deze plaatsvond voordat de beslistermijn van dertien weken na het indienen van het bezwaar was verstreken. Omdat betrokkene de Svb niet opnieuw in gebreke heeft gesteld na het verstrijken van de beslistermijn, is de Svb geen dwangsom verschuldigd. Er zijn geen kosten voor vergoeding vastgesteld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond en oordeelt dat de Sociale Verzekeringsbank geen dwangsom verschuldigd is wegens prematuur ingediende ingebrekestelling.