ECLI:NL:CRVB:2020:1225

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 juni 2020
Publicatiedatum
11 juni 2020
Zaaknummer
18/3130 AOW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 Verordening (EG) nr. 883/2004Art. 4:17 AwbArt. 4:19 AwbArt. 52 Algemene Ouderdomswet
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering regularisatieovereenkomst Luxemburg door Sociale Verzekeringsbank

De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde voor betrokkene een regularisatieovereenkomst met Luxemburg te sluiten voor het jaar 2011 op grond van artikel 16 van Pro Verordening (EG) nr. 883/2004. Betrokkene stelde de Svb met een ingebrekestelling van 28 februari 2017 in gebreke tijdens de bezwaarprocedure.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en oordeelde dat de Svb alsnog moest beoordelen of een dwangsom toegekend moest worden. De Svb trok echter het hoger beroep in, waarna de Centrale Raad van Beroep het beroep ongegrond verklaarde en zich beperkte tot de vraag of de Svb een dwangsom verschuldigd was.

De Raad overwoog dat de ingebrekestelling prematuur was ingediend, omdat deze plaatsvond voordat de beslistermijn van dertien weken na het indienen van het bezwaar was verstreken. Omdat betrokkene de Svb niet opnieuw in gebreke heeft gesteld na het verstrijken van de beslistermijn, is de Svb geen dwangsom verschuldigd. Er zijn geen kosten voor vergoeding vastgesteld.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond en oordeelt dat de Sociale Verzekeringsbank geen dwangsom verschuldigd is wegens prematuur ingediende ingebrekestelling.

Uitspraak

18/3130 AOW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 mei 2018, 17/4780 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 5 juni 2020
Zitting heeft: M.A.H. van Dalen-van Bekkum
Griffier: E.D. de Jong
Ter zitting zijn verschenen namens appellant mr. J.H. Weermeijer en namens de Svb mr. A.P. van den Berg, mr. A. Marijnissen en mr. A. van der Weerd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. De Svb heeft geweigerd voor betrokkene een regularisatieovereenkomst met Luxemburg te sluiten op grond van artikel 16 van Pro Verordening (EG) nr. 883/2004 voor het jaar 2011. Gedurende de bezwaarprocedure heeft mr. Weermeijer, met een fax van 28 februari 2017, de Svb in gebreke gesteld.
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, het beroep gegrond verklaard. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat de Svb alsnog dient te beoordelen of er aanleiding bestaat een dwangsom toe te kennen.
3.1.
De Svb heeft, met een brief van 27 februari 2020, het hoger beroep ingetrokken. Gezien het bepaalde in artikel 4:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt dit geding nu uitsluitend voortgezet over de vraag of de Svb aan betrokkene een dwangsom verschuldigd is.
3.2.
In een besluit van 7 juni 2018 heeft de Svb aan betrokkene laten weten geen dwangsom verschuldigd te zijn, omdat prematuur een ingebrekestelling is verzonden. Betrokkene meent, in reactie hierop, dat de ingebrekestelling niet prematuur is geweest.
4. Het besluit waartegen appellant bezwaar heeft gemaakt is van 7 november 2016. Gelet op artikel 52 van Pro de Algemene Ouderdomswet, dient de Svb te beslissen binnen dertien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Hieruit volgt dat de Svb uiterlijk 20 maart 2017 diende te beslissen op het ingediende bezwaar. De op 28 februari 2017 ontvangen ingebrekestelling is ingediend voordat deze termijn was verstreken. Deze ingebrekestelling heeft geen betekenis meer voor het vervolg van de procedure. Zoals de Raad meerdere malen heeft overwogen, kan uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen worden afgeleid dat van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb slechts sprake is als deze plaatsvindt nadat de termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar is verstreken. De Raad wijst op zijn uitspraak van 15 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1459. Nu betrokkene de Svb niet opnieuw in gebreke heeft gesteld na het verstrijken van de beslistermijn, is de Svb hem geen dwangsom verschuldigd.
5. Van voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) E.D. de Jong (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum