Appellant heeft zich op 22 juni 2017 gemeld voor bijstand en een aanvraag ingediend met een gewenste ingangsdatum van 30 januari 2017, de datum waarop zijn eerdere bijstand was beëindigd. Het college van burgemeester en wethouders van Almere kende bijstand toe vanaf 22 juni 2017 en verklaarde bezwaar tegen de ingangsdatum ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond omdat appellant geen bijzondere omstandigheden had aangetoond die rechtvaardigen dat bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend.
Appellant voerde aan dat hij vanwege psychische problemen en een zwervend bestaan niet eerder een aanvraag kon doen en dat hij binnen de gemeente Almere verbleef. De Raad overwoog dat op grond van vaste rechtspraak bijstand in beginsel niet wordt verleend vóór de datum van melding, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Appellant slaagde er niet in deze bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. De bijstand wordt derhalve toegekend vanaf de datum van melding, 22 juni 2017, en niet met terugwerkende kracht vanaf 30 januari 2017.