ECLI:NL:CRVB:2020:1285
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, die jarenlang als magazijnmedewerker werkte, meldde zich in 2014 ziek en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde daarom de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de geselecteerde functies passend.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren over gehoor- en evenwichtsproblemen en de geschiktheid van de functies, maar leverde geen nieuwe medische onderbouwing. De Raad volgde de rechtbank en het UWV, oordeelde dat alle klachten voldoende waren meegewogen en dat de functies medisch verantwoord waren geselecteerd.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2020.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.